Veel gestelde vragen.
Er zitten ongeveer 20 t/m 25 kinderen in een mentorgroep.
Wij gebruiken de standaard Citotoetsen, zoals ze zijn afgesproken binnen ons bestuur en samenwerkingsverband, ontwikkelingsgericht. Dit betekent dat we een kind individueel volgen en vergelijken met de landelijke Citoscores. De toetsen geven op deze manier ook richting om mogelijke hiaten op te sporen en om aan deze hiaten te werken.
Wij kiezen voor mentorgroepen omdat we graag heterogene groepen willen samenstellen die we samen met kinderen en ouders, zelf kunnen vormgeven. De didactische vaardigheden leren ze in een aantal werkplekken, die elders in ons concept beschreven staan. De kinderen leren nu optimaal met elkaar en van elkaar, waarbij de individuele ontwikkeling van een kind het uitgangspunt vormt.
Maatwerk is voor ons van belang. De kinderen die er aan toe zijn om naar de bovenbouw te gaan, krijgen een kennismaking en een eigen traject. In de praktijk betekent dit dat sommige kinderen met Kerst, of andere kinderen op andere momenten overstappen. dit gebeurt altijd in overleg met ouders en kind.
Als mentor ben je niet alleen verantwoordelijk voor je “eigen” groep, maar voor alle leerlingen op de werkplek waar jij als mentor op dat moment aanwezig bent.
Dit heeft als voordeel dat je problemen van de leerlingen met je collega’s makkelijker kunt bespreken. Je staat er niet alleen voor. Ook voor de kinderen is dat fijn, omdat ze in contact komen met meerdere leerkrachten en niet ‘afhankelijk’ zijn van 1 leerkracht.
Verder zetten wij ook onderwijsassistenten en stagiaires in.
Een overzichtelijk registratiesysteem is onontbeerlijk. De leerling bewaart zijn planning en werkbladen in een werkmap.
Voorin de werkmap zitten de leerlijnen van de kinderen voor spelling, rekenen en lezen.
Verder nemen wij tussendoor toetsen af en worden met enige regelmaat CITO-toetsen afgenomen. De toetsen passen we aan aan het niveau van het kind, wij vergelijken dus geen kinderen onderling, maar bekijken elk kind op zijn haar niveau en zetten dat af tegen het landelijk gemiddelde.
Het kind heeft zijn eigen portfolio.
De leerkracht heeft portfoliogesprekken met de kinderen. Een onderdeel van dit gesprek is wat het kind, van wat het gedaan of geleerd heeft, aan anderen wil laten zien. Dit kan in zijn portfolio worden opgenomen.
Drie keer per jaar gaat de leerkrachtportfoliomap mee naar huis, nadat er een gesprek heeft plaatsgevonden tussen ouder en leerkracht.
Het werkportfolio kan door de kinderen mee naar huis genomen worden, daarin zitten alle werkjes waar een kind ‘trots op is’.
Ieder kind werkt op zijn niveau in zijn eigen tempo aan zijn ontwikkeling.
Omdat we niet met jaarklassen werken, kan het kind ononderbroken aan zijn ontwikkeling werken. Het zogenaamde “overgaan“ en “blijven zitten” zijn niet langer begrippen in onze school.
Als je denkt vanuit de gedachte dat je altijd meer moet presteren dan de ander, red je het niet. Competitie is niet slecht, maar het geeft problemen als het in de school een vanzelfsprekendheid is.
Het kind heeft een bepaalde mate van vrijheid in het kiezen van de leermomenten, maar natuurlijk spreken wij het kind erop aan wanneer zijn planning niet af is of als wij willen dat een kind een bepaalde workshop/instructie gaat volgen. Uiteraard, zoals ook in de maatschappij, "moeten" er opdrachten gemaakt worden. Voorop staat dat wij en dan niet alleen de leerkrachten, maar ook de ouders/verzorgers vertrouwen hebben in het kind.
Were-Di is op de hoogte van onze manier van werken. Ook Were-Di is een kanteling aan het maken van het klassikale onderwijs naar een onderwijsvorm waarin het kind zelf meer verantwoordelijkheden dient te nemen.
|